Kabarondo ontstaansgeschiedenis.
 
In Kabarondo, gelegen in het oosten van Rwanda, is de Stichting Karibu in juli/augustus 2000 begonnen.
 
We hadden al eerder kennisgemaakt met Rwanda; dat was in 1987, toen een van de zusters vanuit Burundi werd overgeplaatst naar Rwanda. Irene en ik hebben toen in onze zomervakantie in een weeshuis gewerkt.
 
 


In februari 2000 kregen we een brief van een van de Witte Zusters die we in het Brabantse Esch hadden ontmoet. Zij  kende een familie uit Rwanda die al voor de oorlog van ‘94 naar  Tanzania was gevlucht. Een zoon van deze familie, die priester  was geworden, had haar een hulpvraag gestuurd en was weer  teruggekeerd naar Rwanda. Na de volkerenmoord was het voor  velen moeilijk om weer een bestaan op te bouwen.
 
Er werd in deze brief een beschrijving gegeven van de vele problemen: er waren grote aantallen straatkinderen, veel wezen en weduwen, er was honger, analfabetisme, aids, kinderen konden niet naar school, gevangenissen waren vol, enz. enz.
 
Veel van de straatkinderen hadden gezien hoe ouders, broertjes en zusjes waren vermoord tijdens de volkerenmoord tussen de stammen de Hutu’s en de Tutsi’s. Ze zwierven op straat zonder enig toekomstperspectief. In 3 maanden tijd waren er in dit kleine Afrikaanse land ter grootte van België, bijna 1 miljoen slachtoffers gevallen.
 
Er waren veel weduwen die niet alleen hun man, maar soms ook al hun kinderen waren kwijtgeraakt. Er waren anderen die hun kinderen niet naar school konden laten gaan en zelfs niet genoeg te eten konden geven. Deze vrouwen verenigden zich en startten kleine landbouwprojecten. Zo hielpen ze elkaar en waren elkaar tot steun.
 
Toen we contact kregen met deze priester, hebben we gezegd dat we eerst alle problemen met eigen ogen wilden zien, voordat we hulp zouden kunnen geven.
 
Eind juli 2000 reisden we af naar Rwanda, Kabarondo. Al gauw zagen we de grote armoede. We kwamen met deze priester en met de bevolking in gesprek.
 

Zo ontmoetten we een van de vele weduwen die vroeg of ze haar verhaal aan ons mocht vertellen. Haar naam was Odette. Ze nam Irene en mij mee naar haar huisje. Ze zei dat ze daar beter haar verhaal kon doen. Daar vertelde ze dat ze gezien had hoe haar man om het leven werd gebracht. Toen de mannen op haar afkwamen, liet ze gauw haar 2 jarig kind van de rug glijden om het te beschermen. Dit kindje heeft ze nooit weer gezien. Zij lag zwaargewond achter het huis. De mannen dachten dat ze al was overleden en vertrokken weer. Haar 3 andere kinderen kwamen bij de grootouders terecht en een week later is dat huis in brand gestoken en toen zijn ook deze drie kinderen omgekomen.
 
Ze vertelde ons dat ze alles had verloren dat haar dierbaar was, maar dat ze één ding gelukkig niet was kwijtgeraakt en dat was haar geloof in God. We waren diep onder de indruk van haar levensverhaal.
 
Ze zei dat ze zich als weduwen hadden verenigd om zo elkaar tot steun te zijn. Ze nodigde ons uit om naar zo’n bijeenkomst te komen. Dat deden we.
Toen we daar kwamen deden veel vrouwen spontaan hun verhaal wat hen was overkomen. Het waren indrukwekkende en pijnlijke verhalen die we te horen kregen. Ze vertelden ons dat het hen goed deed te vertellen wat ze hadden meegemaakt en ze vroegen ons om ook in Nederland te vertellen wat hen was overkomen, zodat ze hun verdriet konden delen.
 
In de lezingen die we in Nederland hielden, spraken we over hen en veel vrouwen in ons land zetten hun naam op een kaart en schreven er iets bij om hen te laten weten dat ze aan hen dachten en voor hen wilden bidden. Deze kaarten namen we mee naar Afrika. Deze moedige vrouwen in Rwanda waren ontroerd en werden bemoedigd bij de gedachte dat ze dit verdriet niet alleen hoefden te dragen.
 
Toen we in de eerste dagen dat we er waren samen met deze priester de lokale markt bezochten, zagen we hoe kinderen boontjes van de grond zochten. Dat zijn de straatkinderen, zo vertelde hij. Ze wonen aan de rand van de markt in hutjes, gemaakt van palen met golfplaten. Samen hebben ze een “familie” gevormd van ongeveer 10 a 12 kinderen en zo proberen ze te overleven. De oudere kinderen proberen karweitjes te doen om zo wat geld te verdienen. Ze hebben een uitzichtloos bestaan en ze proberen zo in leven te blijven. Hulp is er niet voor hen. Naar school gaan kan niet, want dat kost geld. Wanneer er geen hulp geboden wordt, dan gaan veel kinderen lijm of benzine snuiven om de zorgen te vergeten.
 
De bevolking van Rwanda bestaat uit 3 stammen: Hutu’s, Tutsi’s en Pygmeeën.
 
Na enkele dagen gingen we naar deze laatstgenoemde stam. De armste bevolkingsgroep in het land. Ze leven in hutjes, gemaakt van takken en bananenblad. In de regentijd is het altijd vochtig in deze hutjes en velen worden ziek. Ze hebben geen weerstand doordat ze nauwelijks te eten hebben. Geld om naar een dokter te gaan is er niet.
 
Ze leven van pottenbakkerij, maar ze verkopen bijna niets. Ook voor deze bevolkingsgroep is het moeilijk om hun kinderen naar school te laten gaan. Ze hebben het geld en de middelen niet.
 
We kwamen al gauw tot de conclusie dat er gebrek was aan alles. Veel huisjes en hutjes waren tijdens deze genocide verwoest en er waren veel mensen die geen goed onderkomen meer hadden.
 
Toen we in gesprek kwamen met verschillende mensen, werd ons duidelijk dat de straatkinderen het grootste probleem waren. Het zou daarom goed zijn om een huis
 
voor straatkinderen te beginnen. We hebben toen samen met deze priester plannen gemaakt en we gingen naar de gemeente met ons plan. Ze waren blij dat we de straatkinderen wilden helpen en de gemeente bood ons een stuk grond aan om er een kinderhuis op te bouwen.
 
We creëerden een bouwteam in Rwanda en een bouwteam in Nederland. In 2001 zijn we met de bouw van het Karibuhuis begonnen. Tegelijkertijd begonnen we spullen te verzamelen om het huis later te kunnen inrichten.
 
Gerhard Nijhof, architect in Wierden, maakte pro Deo de bouwtekening.
 
De plaatselijke bevolking, die ook arm was, zou bij de bouw betrokken worden. Zij hebben het graafwerk gedaan voor de fundamenten. Ook hielpen anderen mee met het metsel- en timmerwerk. Zo kon iedereen geld verdienen voor hun gezin.
 
Het zou een huis worden waar 35 kinderen zouden gaan wonen. Na een jaar was het Karibuhuis klaar en kwamen de containers uit Nederland met spullen om het huis in te richten. Dit alles werd mogelijk gemaakt door de hulp en inzet van vele vrijwilligers in Nederland.
 
Inmiddels hadden de mensen uit het dorp die aan het huis hadden gewerkt een band opgebouwd met deze staatkinderen. Straatkinderen werden altijd weggejaagd, maar nu hoorden ze er bij: zo verliep de integratie van deze kinderen moeiteloos.
 
Alle kinderen gingen naar de lagere school in het dorp. Sommigen waren of nog nooit naar school geweest of waren in geen jaren naar school geweest. Na verloop van tijd bleek dat een aantal het heel goed deden op school. Ze voelden, hoe moeilijk het ook was na het verlies van zoveel familieleden, zich thuis in het Karibuhuis.
 
De meeste van deze kinderen zijn getraumatiseerd en om hen te helpen om deze trauma’s wat meer op de achtergrond te krijgen, moet je positief bezig zijn. Zo hebben ze geleerd om op de Afrikaanse trommels te spelen, de Afrikaanse dansen te leren en zelf hebben ze een acrobatengroep opgericht. Ook wordt er elke dag gesport. Dit positieve bezig zijn hielp en helpt hen enorm.
 
De broeders met wie we samenwerken, hebben de leiding van het huis. Inmiddels zijn er al heel veel kinderen weer terug gegaan naar hun familie. Voordat ze teruggaan is er eerst intensief contact met de familie. Zo komt er weer plaats voor andere, vaak jongere kinderen, die hulp nodig hebben.
 
Wanneer ze geen ouders meer hebben, worden ze opgevangen door andere familieleden. Er zijn nu een aantal oudere kinderen die intern op de middelbare school zijn of daar al mee klaar zijn en er zijn anderen die een beroepsopleiding volgen.
 
Het grote verdriet dat hen is overkomen, kunnen we helaas niet weg nemen, maar we willen hen helpen om weer een toekomst op te bouwen, zodat er weer perspectief in hun leven komt.
 
We hebben bij heel veel kinderen mogen zien dat ze weer blij kunnen zijn en weer een lichtpuntjes zien.
 
We zijn God dankbaar dat we deze kinderen in het Karibuhuis de hulp mogen bieden die ze nodig hebben en dat ze door aandacht en liefde weer de kracht mogen vinden om door te gaan.